Actueel

|
13 juni 2017

Een revolutie is geen pijnloze tocht door de poorten van vrijheid en rechtvaardigheid. Het is een gevecht tussen woede en hoop, tussen de verleiding om te vernielen en het verlangen om te bouwen.

Het neerslaan van dromen

In haar vierde en laatste bijdrage over het Midden-Oosten voor dS Avond/de Mening schrijft Brigitte Herremans over hoop en dromen van mensen die zich verzetten tegen dictaturen en politiestaten.

Protestbewegingen deden het Midden-Oosten en Noord-Afrika vanaf 2011 op hun grondvesten daveren, maar de opstanden bleken een slag in het water. De internationale stabiliteit is ontwricht, miljoenen burgers werden ontheemd en gewelddadig-jihadistische demonen verspreidden zich als een olievlek in de regio. Er ontpopte zich een nog wredere orde die haaks stond op de verzuchtingen van de protesterende burgers. Sinds het neerslaan van de Arabische protesten zijn burgers in toenemende mate het slachtoffer van ongebreideld geweld, denken we maar aan de bombardementen op scholen en ziekenhuizen door het Assadregime in Syrië en door Saoedi-Arabië in Jemen of de terreur van IS in onder meer Mosoel en Raqqa.

In discussies hierover luidt de conclusie vaak dat rebelleren voor meer vrijheid in die regio enkel leidt tot vernieling. Trouwens, klinkt het vaak, in een verlichte dictatuur zoals Singapore komen mensen toch ook niet op straat om meer vrijheid te eisen? Een ander, moeilijk te weerleggen argument is dat er geen alternatief is voor de dictatoriale regimes aangezien de oppositie zo zwak is. ‘Wie moet in Assads plaats treden? Onder Khadaffi was er tenminste welvaart in Libië.’ Dit maakt me opstandig, doordesemd als ik ben door gesprekken met mensenrechtenactivisten en de invloed van boeken zoals de ‘Goelag Archipel’ (Alexander Solzjenitsyn), ‘De tijd van de vlinders’ (Julia Alvarez) of ‘De terugkeer’ (Hisham Matar). De vader van Matar was een Libische dissident en verdween spoorloos in de kerkers van Khadaffi. Het thema van onderdrukking en het verlangen naar vrijheid komt terug in al Matars geschriften. “Dromen hebben gevolgen. Er is geen weg terug. Een revolutie is geen pijnloze tocht door de poorten van vrijheid en rechtvaardigheid. Het is een gevecht tussen woede en hoop, tussen de verleiding om te vernielen en het verlangen om te bouwen.”

Er is ook altijd verzet geweest in de Arabische landen, net als in alle politiestaten en dictaturen ter wereld. Zo pleitte de Syrische intellectueel Sadiq al-Azm onmiddellijk na de nederlaag van de Arabische landen in de Zesdaagse Oorlog in 1967 voor doorgedreven zelfkritiek, hekelde hij het Arabische nationalisme en stelde hij verregaande politieke hervormingen voor. Het kritische debat na 1967 werd vooral geleid door progressieven en islamisten, ook al werden beide stromingen genadeloos onderdrukt door de militaire regimes. Dit verhinderde niet dat dissidenten zich bleven verzetten, veelal ondergronds. 

Verzet hoort nu eenmaal bij het leven. Zoals Albert Camus treffend schreef in ‘De mens in opstand’, is rebellie ook niet per se negatief. Een rebel zet zich af maar zijn weigering houdt niet zozeer een verwerping in als wel een bevestiging, een erkenning van de waarden die hij wil verdedigen. “Bewustzijn, hoe verwarrend ook, ontstaat uit elke daad van verzet: de plotselinge, verblindende gewaarwording dat er iets huist in een mens waarmee hij zich kan identificeren.” Dit soort van bevrijding kan mensen niet ontzegd worden, hoop en dromen laten zich niet neerslaan omdat ze niet realistisch zijn.

Brigitte Herremans, medewerker Midden-Oosten Broederlijk Delen-Pax Christi Vlaanderen.

Dit artikel is het vierde in een reeks opiniestukken voor dS Avond/de Mening. Het verscheen op 9 juni 2017. Lees de dS-versie van het artikel (voor abonnees)

Foto: Volksprotest in Damascus, 2011/Shamsnn/Creative Commons